“De afgelopen maanden heb ik, Moos Engelbertink, stagegelopen in Museum No Hero in Delden. Als vierdejaarsstudent Kunstgeschiedenis had ik ruimte in mijn rooster om stage te gaan lopen en het leek me de perfecte manier om wat werkervaring op te doen en om eens te zien hoe het er in een écht museum aan toe gaat. Omdat Museum No Hero een relatief nieuw en jong museum met een klein team is, heb ik ontzettend veel mogen doen. Mijn taakomschrijving omvatte alles van het invoeren van nieuwe members (vrienden van het museum) tot het uitzoeken van bruiklenen, veel contact hebben met een grote groep vrijwilligers, tot het schrijven van teksten. Ik heb zelfs een keer een uurtje meegedraaid in de bediening van het museumrestaurant. Het grootste deel van mijn tijd zat echter in het voorbereiden van de tentoonstelling ‘Women of Japan.’

Gemma Boon, directeur van Museum No Hero en degene met wie ik tijdens mijn stage het meest heb samengewerkt, vertelde me op mijn eerste dag over het concept van de tentoonstelling. Al jaren bestaan er ontzettend veel stereotype denkbeelden over vrouwen in Japan: van oudsher de seksuele tendens die er om de mysterieuze geisha’s zou hangen en tegenwoordig het idee dat vrouwen in Japan geen carrière zouden kunnen hebben naast hun gezin. Gemma vroeg zich af of dit eigenlijk wel zo was en wilde hier in de tentoonstelling vragen over stellen aan de bezoekers van het museum aan de hand van objecten die 300 jaar vrouwengeschiedenis in Japan tonen. In eerste instantie vond ik het concept nogal abstract klinken én ik had vrij weinig met Japan, maar al snel begon ik met me inlezen en begon het hele concept steeds meer te leven.

Samen met Gemma heb ik alle bruiklenen voor de tentoonstelling uitgezocht, de vrijheid die ik daarin kreeg was enorm. Op mijn tweede dag werd een dik boek met afbeeldingen van de kimonocollectie van het Rijksmuseum op mijn bureau gelegd, met de boodschap dat ik maar een aantal kimono’s uit moest kiezen die we aan zouden gaan vragen. Vervolgens begon ik samen met Gemma met het schrijven van bruikleenverzoeken. Naast de tentoonstelling zou er ook een publicatie bij de tentoonstelling verschijnen waarvoor we auteurs moesten zoeken, en een vormgever. Het belangrijkste deel van deze catalogus waren echter interview met Japanse vrouwen die hun kijk op het leven van een vrouw in Japan lieten zien. Gedurende het hele proces zijn er momenten geweest waarop Gemma en ik ons afvroegen waar we mee bezig waren (waar vind je in godsnaam een passende vitrine voor een kimono?) en werden termen als kimonostress geboren. Soms was dat stressvol, maar daar stonden ontzettend veel leuke dingen tegenover: ik ben op plekken geweest waar je normaal gesproken niet zo vaak komt (Kasteel Twickel, onze buren in Delden), heb geassisteerd bij het maken van de foto voor het campagnebeeld, wekelijks aan de lijn gehangen met andere musea, bruiklenen opgehaald en geholpen met het inrichten van een tentoonstelling.

Op 23 februari opende de tentoonstelling en zat mijn stage erop, maar afscheid nemen van het museum doe ik zeker niet. Ik ben nog een dag in de week in Delden te vinden om te assisteren bij nieuwe tentoonstellingen en andere administratieve dingen, zeker nog tot we een nieuwe stagiair hebben gevonden, maar hopelijk ook nog daarna. Ik kan het in ieder geval iedereen aanraden om stage te gaan lopen: je doet ervaring op, breidt je CV uit, leert ontzettend veel en komt hopelijk een heleboel leuke mensen tegen!”

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie